1 3

Ik ben hem al de hele week

 

Hoe ik fiets door de wereld, als het nog koel is 's ochtends. 
Hoe de juf de verf van de ramen veegt met een nat doekje. 
Hoe de huppelende kinderen in grote wagens met katoenen lakens verdwijnen. 
Hoe gordijnen dicht getrokken worden en deuren gesloten. Hoe de buurman de post verzamelt van vijf mensen in de straat. 
Hoe de stapeltjes papier zich verzamelen op het bureau van de meneer op het kantoor, omdat hij de enige nog is. 
Hoe ik kaartjes krijg uit verre landen: ze léven nog wel, maar niet hier.

Ik zie het gebeuren. Echt hoor. 
Ik ben de enige, de enige die het ziet. 
De enige nuchtere, omdat ik niet meedoe aan het spel en binnenblijf.

Ik zie het gebeuren. 
Dat het land leegloopt en de treinen niet meer rijden. 
Dat de lantaarnen niet meer aangaan en de winkels niet meer open. 
Dat er geen water meer uit de kraan komt en de radio het niet meer doet. 
Dat op woensdag de snelwegen zijn als vroeger op autoloze zondag.

"Hoe we dan onze rolschaatsen aantrokken en tikkertje op het asfalt deden."

Mama!, schreeuw ik naar de lucht, waar zelfs de vogels zijn verdwenen. 
Mama, het is helemaal niet leuk. Ik ben hem al de hele week.