Camiel maakt mooi, Camiel zegt mooi
Camiel heeft nette haartjes. Camiel is een net jongetje.
Camiel maakt zélf een tekening. Het is een dier, zegt hij. Een moedervogel.
De moedervogel is een heel bijzondere vogel. Camiel legt het me uit:
Hij legt eieren voor alle vogels. Dan krijgen de vogels kinderen. Kijk, dit is zijn snavel. En hier de vleugels want het is een vogel.
Mooi!, zeg ik. (En ik meen het hoor.) De andere kinderen tekenen níet zelf hun tekening. Ik houd wel van een beetje fantasie. Ik houd wel van moedervogels.
Maar Camiel hoort me niet meer. Hij loopt naar het tafeltje waar Baukje haar paard vol plakt.
Daar staat Camiel. Camiel is verlegen.
Naast Baukje, maar zij ziet hem niet.
Jij bent mooi, zegt hij. Maar ze hoort hem niet.
Camiel kijkt naar haar handjes. Haar roze truitje en het bruine paard.
Camiel draait zich om. Terug naar zijn eigen tekening. De moedervogel.
Ik wil een paard, zegt hij.
Mooi!, zeg ik weer over de Moedervogel. Maar het helpt niet. Camiel wil een paard.
We halen een paard. Een voorgetekend, lelijk paard. Camiel plakt met bruin.
Ik aai hem over zijn hoofd, Camiel. Lieve Camiel.