Ukkig ukkig ukkig
Ik wil ze best op de foto zetten maar ik ben bang voor de vragen. ‘Weet je nog wie ik ben?’ Erger nog dan ‘Ben jij gelukkig?’, want bij welke namen de oude koppen horen vind ik niet terug in het holle binnenste. Ik weet niet wie ze zijn, ik wéét het niet.
Ben ik gelukkig? Zo’n vraag waar je ernstig van wordt. Niet gelukkig. Heel diep, moet ik dan zoeken. Naar het aller-aller-aller-diepste. En dáár dan opnieuw die vraag stellen. Nu met de holle echo van mijn binnenste. Ben ik gelukkig-ukkig-ukkig-ukkig?
Ik kom niet eens zo diep. Mijn stem weerklinkt niet in het holle want het holle bereik ik niet, ik kijk naar mijn scherm en de briefjes 'te doen'.
Tegen Benjamin zei ik gewoon maar ‘ja’. Dat is wel zo makkelijk. En daarbij; hij luistert ook niet echt naar wat je zegt.
Het gaat er niet om of ik jullie naam nog weet, maar, maar, of je gelúkkig bent, zal ik tegen de oudjes zeggen. Ik kaats ze de vraag terug, ik laat ze achter in verwarring. Desolaat op het winderige strand. Haarnetjes vliegen de zee in. Ontredderd zwiepen hun sjalen in de ruimte.
Alleen ga ik terug naar binnen. De strandtent in, waar de bitterballen rondgaan en de advocaatjes blij de lucht in schieten. Verwelkomd door de mensen wiens naam ik als vanzelfsprekend weet, en de mensen die niet willen weten of ik ze ken. Goed gezelschap.
In de verte blaat een schaap.
Het is tante Beppie. Haar laatste gil. Een golf neemt haar mee.
Ik steek mijn hoofd uit de deur. Houdt mijn fototoestel vast zodat het niet roekeloos heen en weer bungelt. Schreeuw uit alle macht. Bént ú nóu gelúkkig?