8 10

Met venzelijke groeten

 

Meneer, mevrouw Venz.

Het verhaal van de cacaoboter kende ik al. Ik keek vroeger veel naar Klokhuis, ziet u. Ik weet die dingen.

Witte laagjes hebben we wel vaker: ik en mijn vrienden. Daar lachen we om. Maar de witte bolletjes: die baren mij zorgen. Ik houd wel van een grapje maar de hagelslagjes vertellen geen moppen. Geen moppen. Wit zijn ze. En het vermoeden rijst, dat als ik ze opeet (want ik bén een student en soms dan héb ik niks anders), ik keelpijn van de wittebolletjeshagelslag krijg. Keelpijn: of is dat het weer en de tijd van het jaar?

(Agnes vroeg: gaat het persóónlijk wel goed met jou? Toen dacht ik: dát kan het ook nog zijn.)

Witte bolletjes. Ben ik nu een bolletjesslikker?, dacht ik. Dus ik doe het niet meer. De vlokken van de Ruyter bevallen prima, en kaas is trouwens ook gezond.

(...)

Wacht: ik schud het pak uit boven mijn bureau. Eten doe ik het toch niet meer. Dan krijgen jullie een foto. Of nee: twee foto’s. Ik heb niet voor niets een toestel met een goede macrofunctie.

Vertel het de Digros dus maar, Janine. Laat ze een koelkast aanschaffen. Bovendien is de hagelnieuws altijd hetzelfde. Ze slaan véél in en slaan het slécht op. Of moet ík soms klagen?

Nu wilt u dus nieuwe pakken sturen? Maar dat is aardig, dat is werkelijk attent. Hieronder staan de gegevens. Lief van u.

(...)

Misschien klinkt het onderhand onbeleefd. Geloof me: zo bedoel ik het niet. Het is iets dat je vast moet houden. Ik ontdek mijn eigen stijl. Net zo lang, nét zo lang tot ik óók schrijver ben. Net als de mensen van de namen op de kaften van de boeken in de winkels. Vergeeft u mij, denk er maar aan, later: want van mijn boeken zult u hóuden. Daar heb ík nog eens brieven van gekregen, zegt u tegen uw collega’s. Wacht: ik zoek ze even op.

Onzin natuurlijk. Ik ben een gevaarlijke gek.

Met venzelijke groeten, 

Irene.