13 15

Rondje om de tafel

 

Er is een kangoeroe. 
Een staart op zijn rug en lange wijde broekspijpen als de hippies uit de zeventiger jaren. Stijlvol. Mooie lange knokige handen, die de wind weerstaan terwijl hij rent. Stil hangen ze naar beneden terwijl de rest voortbeweegt. Hij rent: statig en recht.

Er is een beer. 
Brede schouders en een bruine slobberige trui. Zwarte haren en een ongeschoren kin. Lomp rent hij. Grote zware stappen.

Uit!, zegt de miereneter. Hij verdwijnt, hij trekt zich terug. Langs de kant snuffelt hij eenzaam vredig over de grond met zijn snuit. Wat de beer en de kangoeroe er verder van maken, deert hem niet.

Ze rennen niet meer. De kleine berenoogjes uit de grote berenkop kijken de eerlijke kangoeroe-ogen recht aan. Nu begint het.

De beer bromt: vier twee. Zijn schouders hangen.

De kangoeroe springt statig op en neer. Zijn knokige handen zijn een unicum in de dierenwereld, maar dat weet hij niet.

Vijf twee, zegt de kangoeroe. Niet vijandig of blij, maar constaterend.

De kangoeroe wint altijd.