17 19

Roosje

 

Ik had een nichtje dat Roosje heette. Soms als ik thuis kwam uit school zei mama: er is post van Roosje. 
Roosje – en wat een mooie pakketjes. Een doosje vol met heele, heele mooie kleertjes. Voor mij. 
Roosje is dus een ouder nichtje, dacht ik. Want de roze lakschoentjes paste ze niet meer.

Roosje – bij haar naam dacht ik aan een klein rood roosje. Niet groots bloeiend, maar een beetje verlegen en roze. Dat een meisje zo kon heten, dacht ik.

Ik werd gelukkig van de kleertjes van Roosje. Ontzettend gelukkig. Zo lief roze en met strikjes. 
Schrijf maar een kaartje, zei mama. 
Dan tekende ik een hele dag kinderkleertjes uit de jaren zestig na uit een boek waaruit mama Frans leerde. Mooie kleertjes, voor Roosje. En op de andere kant van het papiertje schreef ik: “Lieve Roosje,”. Want zo begin je brieven. Met lieve, haar naam, en dan een komma. 
En nu?, vroeg ik aan mama. Bedank maar voor de kleren, zei mama. 
“Dankjewel voor de kleren. Ik vind ze heel erg mooi.”

Roosje – ik kreeg nooit een briefje terug. 
Ik wou het zo graag: een briefje terug. Met tekeningetjes die zij voor mij getekend had. 
Ik had haar roze kleertjes maar ik wou ook zo graag een roze vriendinnetje. Misschien nog grager. In je eentje roze zijn is helemaal niet leuk.

Roosje – ik heb haar nooit gezien. 
Als ik aan haar dacht droomde ik een beetje weg.

Roosje was een sprookjesprinsesje. Dat ze mij nooit briefjes schreef. Dat ze mijn vriendinnetje niet wou zijn. Ik begreep het eigenlijk wel.
Omdat ik ook nog andere kleren had. Donkerblauw met gele ruiten. De rood-wit gestreepte trui die ik stiekem onder de bank verstopte om hem nóóit meer aan te hoeven. Het vest van grijze wol. En kijk eens naar mijn dikke bruine haar, mijn mond die altijd open hing en mijn opengekrabde huid. Er zaten afgeschoren baardharen in mijn tandenborsel. (Maar dat had Dagmar gedaan.)

Met de lakschoentjes van Roosje zakte ik na een week al door het ijs in het vijvertje in de achtertuin. Papa trok mij omhoog, maar het schoentje bleef liggen.

Na een tijdje kwamen de pakketjes niet meer. Roosje had een meisje gevonden dat haar kleertjes waard was. Een roze meisje waarmee ze hand in hand door het hoge gras rende na de heerlijke picknick met broodjes en meloen.

En ik groeide en groeide en wachtte. Er kwam niets meer.

Roosje – ik pas niet meer in je jurkjes.
Roosje – mama gooide je jurkjes weg.
Roosje – waar ben je.

Roosje – bestond je eigenlijk wel.



18