19 21

Deze mensen stralen geluk

 

Deze mensen stralen geluk.

Het nonchalant om zijn schouder geslagen jasje, ondanks de regen.
Haar kuiten, haar práchtige kuiten.
En natuurlijk de eindeloze eeuwige alleshelende liefde.
Waarvan wij alleen maar hoopten dat het bestond.

Arm om middel, arm om middel.
Heup tegen heup, zachtjes lachend.

En god wat zijn ze mooi.

Een giecheltje, en dan stopt ze. Ze stopt, en hij stopt ook.
Wacht eens, zegt ze. Wacht eens.
Ze kijkt naar de grond. Haar fijne gezichtje, onschuldig glimmende lippen. Het vissengraatmotief in het plein.
Ik heb hier een keer gekotst.

Zijn mond, zijn júkbeenderen. Lippen om te strelen.
O já?, vraagt hij, oprecht geïnteresseerd. De levenslustige benieuwde ogen.

Já, precies hier. Precies híer heb ik eens gekotst.

De tijd staat stil. Een wolk van warmte glijdt over het plein. Zomerwarmte.

De tijd staat stil.
Samen kijken ze geroerd naar de straatstenen. Een glimlach en een knikje.

De vrouw zucht.
Dan gaat de tijd verder.

Arm om middel, arm om middel.
Heup tegen heup, zachtjes lachend.

 

20