24 26



Op de brug staat een man. Hij huilt, heel hard, met schokken en stoten en uithalen. Een man met een spijkerjasje. Meneer, vraag ik, meneer, vraag ik, maar hij hoort me niet, hij ziet me niet, hij blijft schokken dus leg ik een hand op zijn schouder. Meneer, zeg ik, wat is er. Ik denk, waarom huilt hij, waarom hier, waarom niet thuis. Zijn fiets staat naast hem, zijn armen leunen op de brug en zijn tranen vallen in het water. Hoe lang staat hij hier al, denk ik, er varen bootjes onder ons.
Hij mompelt, heel onverstaanbaar, maar ik knik, want knikken is goed. Mja, zeg ik. En mmm, want dat leerde ik van mijn psycholoog, daar worden mensen rustig van, dan denken ze dat je ze begrijpt en vertellen ze nog meer geheimen. Hij mompelt maar door en door en dan snap ik dat het een andere taal is waarin hij praat – niet nederlands maar engels, en dan snap ik alweer wat beter wat hij denkt.
Hij is iemand kwijt, een vrouw, en nu is hij ook de weg nog kwijt. Een kwestie van verkeerd kaartlezen en fuckers die hem van het kastje naar de muur stuurden. En nu is ze weg, de vrouw, ze heet Sandra.
Sandra was ook iemand kwijt, haar man, die ging dood, en daarna vond ze een ander, en die ander was god. God zei dat ze boterhammen moest smeren voor daklozen dus dat deed ze. Niet twee maar tíen, Sandra is een goed mens, een heel goed mens, iemand die tien boterhammen smeert voor mensen zonder dak. Daarvan zijn er niet veel in de wereld, heel weinig, je vraagt je af waarom, en nu is er eentje minder want nu is Sandra weg, Sandra is as.
Hij kijkt op zijn horloge, veel te laat, het feestje is afgelopen, nu is Sandra as en staat hij op de brug. Hij stopt met praten, hij voelt in zijn jasje, hij voelt, zijn ogen stoppen even met huilen. Uit zijn binnenzak haalt hij een bosje bloemen, een heel mooi bosje bloemen, ik weet waar je die kunt kopen, bij de hele dure bloemenwinkel waar ze over bloemen praten alsof het mensen zijn met soms subtiel verdriet en soms ook bescheiden vlaagjes van euforie. Een bosje net mensen, en die gooide hij, zo het water in. Niet mooi met een boogje maar lomp met een extra zetje, en het bosje net mensen verdween gelijk onder de brug. Zoals in het echt, niet zoals in een film, je kon niet nog even kijken naar de bloemen om romantisch je hoofd te kantelen of nog wat te mijmeren, nee, gelijk onder de brug en daarna een witte motorboot eroverheen. Wat een kloteleven, zegt de man tegen Sandra, je bent weg, je bent al as, ik kan je niet eens meer een bloemetje geven, wat een kloteleven.
Ik denk, misschien kan ik ook wat anders dan knikken of ja of mmm of mja terugzeggen, dus ik zeg: misschien kan je morgen nog een keer naar haar, een bloemetje neerleggen bij de steen. Het was goedbedoeld, maar de man mompelt tot as zult gij wederkeren, en dan weet ik o ja, ze is geen ding met een steen maar stofdeeltjes in de lucht. Ik voel me dom, heel dom, hoe kun je nou zoiets doms zeggen, dus als hij dat wederkeren zegt knik ik gewoon weer.
Het gaat alweer, zegt de man, hij kijkt me aan, ik zie de spuugrandjes in zijn mondhoeken, en dat zijn handen eigenlijk knuisten zijn. Het gaat alweer, ik was gewoon even in de war, soms is dat, het betekent dat ik leef, toch, het betekent dat ik leef, dat ik niet gevoelloos ben. Mja, zeg ik, mmm.
Dankjewel, zegt de man, ik heet Vincent, dankjewel. Ja, veel plezier, zeg ik medelevend, en dan hoor ik welke woorden ik zei en probeer ik het goed te maken: nee, ik bedoel, veel succés, ja, veel succes, dat bedoel ik.
En dan zeggen we dag en dan ben ik weer alleen, en de meneer ook, en Sandra ook, en de bloemen met subtiel verdriet worden in mootjes gehakt door de schroef van een glimmend bootje met lelijke pubers en milkshakes van een halve liter, maar dat is niet erg, het betekent dat we leven, dat is alles.