27 29

Haas

 

Haar jij hoort zit Haas nu. Dag Haas, zeg ik. Ben jij het? 
Haas is het. We kijken samen naar de sterrenboom. Leuk, met Haas.

Waar jij hoort ligt Haas nu. Stil is het: hij slaapt. Hij snurkt niet, niet eens zachtjes. Zijn ogen nog open zoals altijd. Zijn oren bewegen alleen als ik er aan trek. Ben jij het?, vraag ik. Hij zegt niets. Stil, met Haas.

Stomme Haas, lach ik. Ik lach: want jij bent de liefste en ik die van jou.